Het Frederikspark - Het paradijs van Haarlem

Inleiding

Het huidige Frederikspark te Haarlem is het oudste villapark in deze stad, naar ontwerp van J.D. Zocher jr., in 1863 ontstaan. Vanaf 1390 is er op deze plaats sprake van een groenvoorziening met recreatieve bestemming. In 1809 ontstond hier een park, naar ontwerp van J.D. Zocher sr., waarvoor J.D. Zocher jr. het teken- en meetwerk verrichtte. In 1832 werd het park heringericht, dit keer naar ontwerp van J.D. Zocher jr. en kreeg het de naam de Koekamp. Naar hij later (in 1862) zou beweren hield hij toen al rekening met de bouw van villa's. Daarmee kan dit villapark wel eens in wezen het oudste villapark van Nederland zijn. De naam Frederikspark ontstond in 1876. Sinds 1935 staat in het park het Sportfondsenbad, naar ont- werp van J.B. van Loghem. Te verwachten is dat binnen af- zienbare tijd het gebouw gesloopt zal worden.
Ten behoeve van de toekomstige ontwikkelingen van dit park werd in 1990 een ambtelijke werkgroep gevormd, waarin ook de Wijkraad Welgelegen vertegenwoordigd was. De meerderheid van deze werkgroep sprak de voorkeur uit om de plaats van het Sportfondsenbad niet opnieuw te bebouwen en het park te herstellen. In het uiterste geval zou één bouwvolume kunnen worden toegestaan. De beslissing wat, waar en hoe groot zal in 1992 worden genomen. Een goede aanleiding om de geschiedenis van het eerste en oudste villapark in Haarlem eens op een rij te zetten.

'Die Baen'

Op 20 februari 1390 schonk hertog Albrecht van Beieren aan de stad Haarlem een stuk grond: die Baen, die leyt buten der houtpoirten ten houtwaert, dat die bliven sal legghende tot enen speelvelde, sonder enich ander oirbaar daer op ten ewighen daghen, also groet, en also cleyn, alst nu ter tijt daer leyt. In een confirmatie van Philips de Schone van 22 augustus 1497 wordt de Baan aangeduid als een veld om daer op te gaan spacieren, spelen, balslaen en recreatie te nemen. Uit de kaart van Jacob van Deventer van 1550 blijkt dat het veld de Baan, gelegen tussen de tegenwoordige Baan, Dreef, Paviljoenslaan en de Kleine Houtweg dan nog geheel onbebouwd is. Ook de kaart van Braun uit 1572 geeft een onbebouwd ge- bied te zien. Een geheel ander beeld toont de kaart van Pieter Wils uit 1646. Het zuidoostelijk deel van de Baan is dan verkaveld in een groot aantal kleine percelen. Aanvankelijk bijna alle in gebruik bij inwoners van de stad, die er voor een deel tuintjes hadden en er voor een deel kleine woningen maar ook theehuisjes en theekoepels hadden gesticht. Tegen het eind van de zeventiende eeuw stonden er alleen al langs de westzijde van de Kleine Houtweg langs het gedeelte van de Baan zo'n 28 huisjes of verblijfplaatsen. Deze situatie ontstond uit de be- hoefte van kleine zakenlui en kleine burgerij van Haarlem om buiten de nauwbehuisde stad te kunnen genieten van het 'buitenleven'. Vooral tijdens de achttiende eeuw is de Haarlem- merhout zo omringd geworden door tal van buitens en buiten- tjes, veeleer ontstaan in opdracht van Amsterdammers dan Haarlemmers. Het noordelijk gedeelte van de Baan (het latere Frederikspark) bleef als openbaar speelveld in gebruik. Tijdens de zeventiende en achttiende eeuw was de Baan ook één van de plekken waar de kermis werd gehouden. In de nabijheid van tal van kroegen en herbergen aan het Houtplein en de Dreef vonden tal van attracties en bezienswaardigheden op het terrein van de Baan plaats. In 1799 was hier de artillerie van het Frans-Bataafse leger gehuisvest.

'Die Baen' als Princessetuin

In 1769 verwierf de Amsterdamse bankier Henri Hope een omvangrijk stuk grond met opstallen in het gebied van de Baan. Hij wist zijn bezit in de daarop volgende tijd aanzienlijk uit te breiden. Daarop stichtte hij in 1786-1788 een riante buitenplaats, bekend als de hofstede Welgelegen. In 1808 werd deze hofstede verkocht aan Lodewijk Napoleon, die het de naam Paviljoen Welgelegen gaf. In het voorjaar van 1809 kreeg de tuinarchitect J.D. Zocher sr. de opdracht een ontwerp te maken voor één groot park rondom het Paviljoen, dat een gebied bestreek, bestaande uit het gedeelte van de Haarlemmerhout tegenover het paviljoen, het park achter het huis en het aangrenzende speelveld de Baan. Zijn zoon J.D. Zocher jr. verrichtte het meet- en tekenwerk. Op 24 september 1809 werd een decreet uitgevaardigd om het speelveld de Baan van de stad Haarlem over te nemen. Bij de aanleg van het park werd niet gewacht tot de formaliteiten over de koop van onder andere de Baan achter de rug waren. Begin oktober 1809 waren de werkzaamheden op het voormalige speelveld al volop aan de gang. Van belang voor het deel van de Baan in het ont- werp van J.D. Zocher sr. is een ovaalvormig centraal perk met daarin een omvangrijke orangerie. Op 22 mei 1809 werd door Lodewijk Napoleon van deze plannen afgezien en vond uitvoering in vereenvoudigde vorm plaats, die na de vlucht van Lodewijk Napoleon in 1810 zo goed mogelijk doorgang von- den. In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. Na de confiscatie was er nauwelijks meer geld voor het onderhoud van het park. In 1813 kwam er een eind aan de Franse overheersing en werden paviljoen en park eigendom van het Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf 1813 woonde hier Prinses Wilhelmina, weduwe van stadhouder Willem v. Het noordelijk deel van dit park, achter Welgelegen, werd ook bekend onder de naam ‘Princessetuin'. Op de kaart van F.J. Nautz uit 1822 is het nieuw aangelegde park uit omstreeks 1810 goed te zien. Een vergelijking met het plan van J.D. Zocher sr. uit 1809 wijst uit dat diens ontwerp voor het verloop van de paden min of meer is uitgevoerd, maar dat de aanplant veel dichter is, de orangerie niet gebouwd werd en het ovale centrale perk niet is uitgevoerd '). 

'Die Baen' weer stadseigendom

Op 1 januari 1831 werd het park officieus weer overgedragen aan de stad Haarlem. Op 12 januari aansluitend werd in de gemeenteraad besloten het park achter het Paviljoen Welgelegen vooralsnog in wezen te laten en hetzelve voor het publiek open te stellen, om vervolgens op het einde van dit jaar in nadere overweging te nemen wat daarmede voor het vervolg zal gedaan worden 2). Op 22 oktober van dat jaar werd de stad Haarlem officieel en voor een bedrag van zevenduizend gulden weer eigenaar van het park en op 16 december werd besloten tussen het park en de rest van de tuin van Welgelegen een af- scheiding te maken 3). De overdracht vond plaats op 27 januari 1832. Toen werd ook overgegaan tot uitvoering van het besluit om het park voor het publiek open te stellen. Zo beschikten de Haarlemmers na 23 jaar onderbreking weer over het oude speelveld, zij het echter nu getransformeerd tot park. In dit park bevond zich aan de Dreefzijde een zogenaamde Koepel. Deze werd aanvankelijk ter verhuring uitgegeven maar later werd besloten deze voor afbraak te verkopen. Ook de oude buitenplaats 'Zomerlust', aan de oostzijde aan de Kleine Houtweg zou later ter afbraak worden afgestoten. Bij raadsbesluit van 29 november 1832 werd besloten om in het midden van 't park achter het Paviljoen Welgelegen (met behoud der in het gras staande opgaande bomen) een stuk weiland van ruim 1.2 bunder aan te leggen, voorzien van eene houten scheering 4). De plannen voor deze wijziging werden gemaakt door J.D. Zocher jr., inmiddels zelf als tuinarchitect werkzaam. Zo ont- stond het omrasterde 'eivormige' terrein dat door de stad als weiland ruim zestig jaar werd verhuurd en bekend zou worden onder de naam 'de Koekamp'. Tot nu toe is het niet mogelijk gebleken dit ontwerp te achterhalen 5). Op de kaart van F.J. Nautz echter uit 1837 is de nieuwe situatie goed zichtbaar. Kenmerkend daarin is dat J.D. Zocher jr. zich duidelijk heeft laten inspireren door het ontwerp uit 1809 dat zijn vader maakte voor de niet uitgevoerde plantentuin op deze plaats).

Voorgeschiedenis Frederikspark

De aanleiding die uiteindelijk heeft geleid tot een bebouwd Frederikspark was niet zozeer een bouwplan voor wat toen nog bekend stond als de Princessetuin, maar een bouwplan voor een plek elders in stad. Op 20 november 1861 richtte Jhr. A.V. Teding van Berkhout een verzoek in om twee zeer goede steenen woonhuizen van minstens 2 verdiepingen te bouwen op het terrein, thans met bomen beplant, gelegen aan de Jansweg tusschen de Molen- steeg en het Stationsplein 7). Om toestemming te kunnen krij- gen voerde hij de volgende argumenten aan: dat door inwilliging van het verzoek de Gemeente eene, werkelijke dienst zou worden bewezen, want dat daardoor niet alleen werk voor den arbeider zal worden in het leven geroepen, maar de Gemeente een onnutten, smerigen en stellig niets producerende hoek voor bijkans geen geld zal herschapen zien in bebouwden grond met tuinen, die dat gedeelte van de stad zal verfraaijen, en welligt aanleiding zal geven tot het daarstellen van meerdere goede gebouwen waaraan de Stad gebrek heeft, en die het zich vestigen van elders komende familien, zeker zal bevorderen). Tegenover deze voordelen voor de gemeente waren wel enkele nadelen. Zo vroeg de heer Teding van Berkhout de grond tegen een uiterst lage prijs af te staan en waren enkele kostbare voorzieningen noodzakelijk in de vorm van terreinaf- scheidingen. Het verzoek werd dan ook van de hand gewezen. Raadslid mr. A.A. del Court van Krimpen kwam voor de belangen van de aanvrager op en stelde in een der volgende raadsvergaderingen zijn mederaadsleden voor de afwijzing in te trekken en B & W te vragen overleg met de aanvrager te ple- gen). Maar dat was niet meer nodig. De heer Teding van Berkhout trok zijn verzoek in maar liet de gelegenheid niet on- benut een vermanende vinger te heffen. Zo schreef hij: het is toch ligt te begrijpen, dat een plan opgevat in het belang van de gemeente en om aan de arbeidende klasse wat werk bij winterdag te geven, veel aanlokkelijks verloren heeft na de afwijzende beschikking. Voor dat ik echter van mijn bouwplan af- scheid neem, veroorloof ik mij met de meeste bescheidenheid aan den Raad kenbaar te maken, dat velen met wien ik den laatsten tijd over bouwen sprak, een besluit van den Raad zoo gewenscht zoude voorkomen waarbij, nu reeds door den Raad aantewijzen gronden gedurende een bepaald aantal jaren, voor een ieder ten allen tijde verkrijgbaar werden gesteld te- gen zeer lagen prijs, mits daarop gebouwd werden, woonhui- zen hebbende een bepaalde huurwaarde 10). De brief zou on- der de aandacht van het college worden gebracht. Raadslid Del Court van Krimpen stelde daarnaast voor B & W hunne aan- dacht te vestigen op den Princessetuin en Koekamp, als zijnde naar zijn oordeel een geschikt terrein om te worden uitgegeven ten einde daar te bouwen 11).
Het is voor het eerst in Haarlem dat expliciet naar een bouwlokatie voor duurdere woningen wordt verwezen. Waarom daar- bij de keuze op de Princessetuin en Koekamp viel is niet meer te achterhalen. Wel is bekend dat Haarlem in de eerste helft van de negentiende eeuw veel onbebouwde plekken kende binnen de toenmalige stadsgrenzen. Deze plekken waren vaak in gebruik als bijvoorbeeld tuingrond (het latere Kenaupark), exercitieveld (het latere Ripperdapark) of park/weiland (het la- tere Frederikspark). In de regel waren deze open terreinen ver- waarloosd en rommelig van indeling. Niet erg aantrekkelijk binnen een stedelijk gebied en zeker niet uitnodigend tot nieu- we impulsen. Om die reden werden bijvoorbeeld in 1821- 1822 de Bolwerken in het noorden van de Nieuwstad vergra- ven en tot wandelpark ingericht, naar ontwerp van J.D. Zocher jr. 12).

Het bebouwen van dergelijke groene plaatsen kwam in Haarlem pas na het midden van de negentiende eeuw op gang. Eerst de Princessetuin/Koekamp vanaf 1862. In 1863 werd het ini- tiatief genomen tot de bebouwing van de Bolwerken. Plannen voor bebouwing van het latere Kenaupark dateren uit 1867, en het Ripperdapark ontstond vanaf 1871 13). Deze vier bouwlokaties kenmerken zich door een parkachtige aanleg met vrij- staande en/of aaneengesloten bebouwing, die in de regel ge- pleisterd en - mogelijk anders dan wit - geschilderd werd. Drie ervan vormen een zogenaamd villapark. Deze vier bouwlokaties zijn ontstaan naar aanleiding van particulier ini- tiatief, gesteund door de lokale overheid met als belangrijkste doel voor die tijd aantrekkelijke woonruimte te creren en op die wijze vermogende particulieren te stimuleren zich in Haarlem te vestigen.
 

Het verschijnsel villaparken

Het verschijnsel om luxe buiten de stad te gaan wonen is al een oud gebruik. De Italiaanse villa's uit de Renaissance en de latere barok, maar ook in Nederland de zeventiende- en achttien- de-eeuwse buitenplaatsen langs bijvoorbeeld de Vecht zijn daar goede voorbeelden van. De welgestelden die zich deze luxe konden permitteren hadden daarnaast dikwijls ook nog een ruime behuizing in de stad.
Mede door de industrialisatie, die vanaf het begin van de ne- gentiende eeuw op gang kwam, ontstond een nieuwe, koop- krachtige vermogensgroep die ook de wens had zich buiten de stad te kunnen vestigen. Deze nieuwe welgestelden konden zich echter niet de luxe permitteren er twee huizen op na te houden, een op het land en de ander in de stad. De tussenoplossing werd gevonden in het zogenaamde villapark, dat in de regel nabij een stad was gelegen maar ver genoeg er vandaan om de illusie van landelijke rust te versterken. Dit had als voordeel dat je rust en stilte genoot met zeer nabij de voordelen van de stad en slechts één huis in onderhoud.
Engeland nam in de ontwikkeling van het villapark het voortouw. Onder invloed van de Engelse landschapsparkidee ontstonden daar aan het begin van de negentiende eeuw parken met in de regel een of meerdere aaneengesloten monumentale bouwblokken met luxe woningen, de zogenaamde 'terraces'. Karakteristiek voor deze bebouwing is de op de classicistische leest geschoeide architectuur en het pleisteren en schilderen van het exterieur. De bebouwing kan aaneengesloten of vrijstaand zijn. Combinatie van beide komt ook voor. Voorbeeld is het huidige Regent's Park in Londen (1811) naar ontwerp van John Nash. In datzelfde park, achter de aaneengesloten terraces, ontwierp Nash een parkachtige aanleg waarin cottages waren gepland. Dit werden in werkelijkheid gepleisterde villa's in min of meer Italianiserende stijl, die in uitvoering aansloten bij het gepleisterde neo-classicisme van de terraces. Het idee van het villapark en de 'park villages' was hiermee geboren.

Het was vooral J.D. Zocher jr., die in Nederland het verschijnsel villaparken introduceerde. Hij heeft zijn opleiding tot landschapsarchitect in de praktijk geleerd bij zijn vader J.D. Zocher sr. (1763-1817). Deze leerde het vak van zijn schoonvader, de Duitse landschapsarchitect Johann Georg Michaël (1738- 1800), die in Nederland een van de eerste tuinen in Engelse landschapsstijl (Beeckestijn bij Velsen, ca. 1772) had aangelegd. Daarnaast genoot J.D. Zocher jr. een volledige, klassieke architectenopleiding in Parijs. Na twee jaar Parijs vertrok de jonge Zocher voor twee jaar naar Rome, waar hij zijn opleiding voortzette. In 1813/14 keerde hij via Zwitserland en Frankrijk terug naar Nederland. Daar hield hij zich in eerste instantie onder andere bezig met het transformeren van verdedigingswerken tot wandelparken (Haarlem - de Bolwerken - 1821, Utrecht 1829). Van bouwen van villa's in Nederland in dergelijke wandelparken is - uitgezonderd het Frederikspark in Haarlem - waarschijnlijk voor het eerst sprake in Utrecht. Daar leverde J.D. Zocher jr. in 1843 een bebouwingsvoorstel voor het Willemsplantsoen. Daar ging het Zocher niet alleen om de landschappelijke aspecten, maar stond hem ook een samensmelten van architectuur en groen voor ogen 15). De geplande bebouwing was lintvormig, langs het water van de Singel. Het betrof hier een combinatie van openbaar groen met particuliere terreinen. Dit plan werd echter nooit uitgevoerd. Het ontwikkelen van een villapark bij een stad bleef echter een idee dat J.D. Zocher jr. niet losliet. Zo dateert uit 1852 een studie voor de bebouwing van een klein villapark waaruit blijkt hoe hij zich een dergelijk villapark voorstelde. Deze impressie in kleur toont een zevental villa's, die rondom een centraal perk zijn geordend. Alle villa's zijn gepleisterd en in lichte kleur geschilderd en classicistisch van stijl 16).
Hij attendeerde in 1856 de gemeente Den Haag op de mogelijkheden om het Willemspark tot villapark te ontwikkelen en leverde daartoe een voorstel. Ook de uitvoering van het plan voor het Willemspark werd niet aan J.D. Zocher jr. gegund maar aan de toenmalige stadsarchitect van Den Haag, die mogelijk gebruik heeft gemaakt van het plan van J.D. Zocher jr. Pas in 1862 kreeg J.D. Zocher jr. in Haarlem uiteindelijk de kans zijn idealen voor wat betreft de aanleg van een villapark te realiseren.

Plannen voor het eerste villapark in Haarlem

Terug naar Haarlem. In 1862 begon daar dus het idee langzaam te rijpen om de Koekamp te bebouwen. Het voorstel van de heren Teding van Berkhout en Del Court van Krimpen lokte kritiek uit. Weliswaar was het college zich bewust dat zowel in eene bestaande behoefte kan worden voorzien, als het schoone aanzien der stad zal bevorderd worden, terwijl daar- enboven werk aan den ambachtsman wordt verschaft, maar struikelblok bleek het voorstel om de te bebouwen grond tegen een zeer lage prijs te verkopen. Men was namelijk benauwd om zo speculatie in de hand te werken 17). Dit voorstel werd dan ook zowel door het college als door de gemeenteraad van de hand gewezen. Wel stelde het college voor gronden tegen een matigen prijs uit te geven om daarop te bouwen, mits bij elk voorkomend geval daartoe bepaalde aanvrage geschiedde 18). Het voorstel de Princessetuin en Koekamp als bouwlo- katie aan te wijzen werd gesteund door raadslid Van der Breggen. Hij achtte het wenselijk dat door den Opzichter over de stedelijke werken en gebouwen eene teekening van de Koekamp vervaardigd worde 19). Daartoe werd in de raadsvergadering besloten.
Den Opzichter over de stedelijke werken en gebouwen is qua functie te vergelijken met wat wij tegenwoordig kennen als stadsarchitect. In 1862 was J.E. van den Arend als zodanig werkzaam in gemeentelijke dienst. Zijn ontwerp voor het bebouwen van de Princessetuin dateert uit juni 1862. Van een villapark is nog geen sprake, die benaming is van later datum. Van den Arend overlegde twee ontwerpen. Het ene voorziet in de bouw van acht en het andere in de bouw van twaalf 'gebouwen'. Het is zeer waarschijnlijk dat in de raadsvergadering van 9 april uitgebreid over het idee van een bebouwd park is gesproken. Van den Arend haalde althans in zijn toelichting op zijn ontwerpen die vergadering aan; daar heeft men op het oog gehad het park te's Hage, hetwelk dus als voorbeeld is aangewezen, en het is daarom dat ik mijn plan eenigermate naar dien vorm heb bewerkt 20).
Van den Arend doelde hiermee op het huidige Willemspark met centraal daarin Plein 1813 in Den Haag. Dit villapark is ontstaan uit een landschappelijk aangelegd park in Engelse landsschapsstijl toebehorend aan het Koninklijk Huis en gelegen achter het paleis aan de Kneuterdijk. Na de dood van Ko- ning Willem II werd het park door zijn opvolger in 1855 ver- kocht aan de stad Den Haag. Vervolgens werd het plan opge- vat er een villapark aan te leggen. Daartoe werden tussen 1855 en 1858 vier ontwerpen gemaakt. Eén daarvan werd geleverd door J.D. Zocher jr., een tweede door een Duitse architect en de overige twee door de toenmalige stadsarchitect van Den Haag, W.C. van der Waeyen Pieterszen. Uit één van die twee werd een keus gemaakt en tot uitvoering overgegaan. Dit villapark wordt algemeen beschouwd als eerste in Nederland van dit soort 21).

Het is dit Haagse villapark dat Van den Arend als voorbeeld diende. Het beschikbare terrein van de Koekamp besloeg ruim éénderde deel van wat men in Den Haag ter beschikking had. Hij gaf in zijn toelichting aan dat Bij den aanleg, zoowel te 's Hage als in bijgaand plan, is vooral in het oog gehouden, ruimuitzigt en vergezigts punten of lijnen, hetwelk eene eigenaardige strengheid der lijnen van insluiting of verdeeling veroorzaakt. Twee, even brede, wegen deelden het park in vier delen. Centraal was een vierdelig, ovaalvormig perk. In tegen- stelling tot Den Haag ontwierp Van den Arend In het middenrond...eene fontein, welke door middel van de in de nabijheid bestaande Duinwaterleiding kan worden gevoed 22). Ook in tegenstelling tot het Haagse voorbeeld, ontwierp hij rondom het centrale perk een rondomlopend pad, in de vier resterende segmenten was door hem ruimte voor acht, respec- tievelijk twaalf villa's gereserveerd. Aan welk plan men de voorkeur zou geven hing volgens hem af van de meerdere of mindere grootsche aanleg der beplanting die men zich voorstelt en waarnaar men zich dus zal behooren te regelen. Het is nog belangrijk te vermelden dat Van den Arend voor beide plannen de oppervlakten van de uit te geven percelen grond had berekend. In het plan voor acht villa's liep dat uiteen van 18 roede en 94 ellen tot 51 rode en 64 ellen. In dat van twaalf villa's bedroeg het kleinst perceel grond 12 roede en 98 ellen en het grootste 39 roede en 80 ellen. Opvallend is dat alle percelen grond verschillend van afmetingen zijn. Enerzijds is deze 'grilligheid' waarschijnlijk te danken aan de toen heersende Engelse landschapsgedachte 23), anderzijds aan de lichte 'parallellogram-vorm' van het ontwerp, waarin de elkaar kruisende wegen niet op de assen zijn geprojecteerd. Wat Van den Arend duidelijk aangeeft, is de keuze tussen het accent op groenvoorziening of op bebouwing en niet op enige onderlinge afweging. Op de uiteinden van de kruisende wegen projecteerde hij aan de west-, oost- en noordzijde gebouwen als afsluitende blikvangers. De noord-zuid verbinding werd door hem voortgezet in de tuin achter het Paviljoen Welgelegen. Van den Arend gaf daarmee de voorkeur te kennen het plan uit te breiden tot aan de Baanlaan (huidige Paviljoenslaan), waardoor het plan volgens hem belangrijk zou verbeteren. Een gedeelte van de westelijke bebouwing langs de Kleine Houtweg diende daartoe te verdwijnen. De totale kosten van aanleg van het villapark werden door hem begroot op f 45.000,-. Tot uitvoering zou het echter niet komen. Op 17 oktober 1862 bereikte B & W een brief van J.D. Zocher jr. met de volgende inhoud: Eenige dagen geleden ontving ik een plan tot daarstelling van villa's in den Princessentuin, en onbekend met het doel dier toezending, neem ik de vrijheid Uwedelachtbaren mede te deelen, dat, toen voor ruim dertig jaren, de Hout en de Princessetuin door mij werden aangelegd, de geheele aanleg was gebaseerd op de mogelijkheid om later daar villa's te kunnen bouwen. Later, terwijl mijn zoon en ik de werken van aanleg tezamen verrigtten, hebben wij dat plan nader uitgewerkt, met het doel om zoo men tot het bouwen der villa's wilde overgaan, hetzelve aan Uwedelachtb. te kunnen aanbieden. Zonder dit de uitvoering zou ten gevolge hebben eenige verwoesting, het raseren van alle fraaye boomen of het ontsieren van den aanleg van den tuin voor het oog van den wandelaar, terwijl integendeel successievelijk, en onverschillig op welken tijd, aan gegadigden de gelegenheid gegeven zoude worden tot bouwen, zonder dat daardoor eenige wanorde werd veroorzaakt.
Het plan van den Heer van den Arend daarentegen is slechts eene geringe copy van ons plan voor het Willemspark te 's Hage. Door de ligging van dat park maakt het een geheel uit met de stad en is het door straten en geschikte toegangen daarmede verbonden, terwijl de Princessentuin altijd een gedeelte van den Hout moet blijven uitmaken, welke laatste toch nimmer met de stad is te vereenigen. En waartoe dienen ook de slaafsche navolgingen, die slechts reden geven tot gegronde, voor den aanlegger altijd onaangename aanmerkingen. Volgens het plan van den Heer van den Arend moet men beginnen den tuin geheel te sloopen, zonder dat kan men het regtlijnige van dien aanleg niet bekomen en bovendien moeten, hetgeen wel niet denkbaar is, alle villa's opeens daar geplaatst worden, of wel de grond blijft in afwachting der geheele voltooying jaren lang woest liggen.
In de hoop dat Uwedelachtb. de verzekering gelieven aan te nemen, dat mijn schrijven geen ander doel heeft dan den wensch om de ontsiering van den Princessentuin te voorkomen en ons plan daartoe dienstig te maken, heb ik de eer enz. 24). Wie het plan van Van den Arend aan J.D. Zocher jr. heeft gestuurd is niet bekend. Iemand wenste de inschakeling van de autoriteit Zocher en dat lukte. De reactie van J.D. Zocher jr. was haast voorspelbaar. Het ging immers om een door hem in een vroeger stadium uitgevoerd ontwerp, een volgens hem herkenbare overname van plannen voor het Willemspark te Den Haag (niet uitgevoerd) en een wezenlijke verandering van de bestaande parkaanleg. En hij achtte het maken van dergelijke plannen natuurlijk meer op zijn weg. De brief van J.D. Zocher jr. bleek voldoende overtuigend want in de gemeenteraadsvergadering van 19 november 1862 werd gemeld dat B & W inmiddels al aan J.D. Zocher jr. hadden bericht van zijn aanbod gebruik te maken 25). Op 28 november aansluitend gaf J.D. Zocher jr. in een brief aan B & W te kennen dat hij de eer zal hebben woensdag 3 dec. a.s. des namiddags ten I ure ten raadhuize tegenwoordig te zijn 26).

Op die bewuste drie december is naar alle waarschijnlijkheid het plan van J.D. Zocher jr. gepresenteerd en besproken in bijzijn van B & W en raadsleden. Hij stuurde naar aanleiding van die ontmoeting een brief met onder andere de volgende inhoud: Met veel genoegen had ik den 3 dezer de eer te bespeuren, dat men ook in den raad van gevoelen was, dat de aanleg in de Koekamp in denzelfden geest moest blijven als de aanleg van den Hout... Met het oog hierop sta ik gaarne het nevensgaande plan kosteloos af doch daar bij eenen aanleg van dien aard het bevallige niet altijd op het papier kan worden uitgedrukt en wel het meest voor het goede effect moet worden overgelaten aan de denkbeelden van den aanlegger, die het plan formeerde, zoo neem ik de vrijheid te verzoeken, dat bij den aanleg ik of mijn Zoon even kosteloos de aanwijzigingen op het terrein zouden mogen doen.
Ik durf dit verzoek aan Uwedelacht. doen, omdat, hoewel ik alle vetrouwen heb in de bekwaamheden van de Opzichter der Stedelijke Werken, het vak van aanleggen van parken enz. meer bepaald ons eigen is. Nog voeg ik hierbij de verzekering, dat de daarstelling der villa's den wandelaar niet de minste interruptie zal geven en het aangename van den Koekamp gedurende de opbouw dier villa's van de eerste tot de laatste door geene ruines zal verstoord worden, terwijl het werk aan de stad betrekkelijk weinig kosten veroorzaken, maar meer voordeel kan opleveren, vooral wanneer de Regering toestond dat 8 of 10 villa's tot stand konden komen, hetwelk vooral door de arbeidende klasse met erkentelijkheid zou worden gezien 27). Het was J.D. Zocher jr. duidelijk te doen om handhaven van het parkachtige karakter van de Koekamp. Net als bijvoorbeeld bij de aanleg van de voormalige Bolwerken, ruim veertig jaar eerder, tot wandelpark was ook hier weer het scheppen van werkgelegenheid één van de argumenten. Het plan van J.D. Zocher jr. geeft een heel ander beeld te zien dan dat van Van den Arend. Het meest opvallende element is het ovaalvormige centrale veld (het eigenlijke weiland, de Koekamp). Daaromheen liggen terreinen 'gestrooid', die aan de west-, noord- en oostzijde rechtlijnig worden begrensd, veroorzaakt door de erlangs lopende bestaande wegen zoals Groote Dreef (nu Dreef), Baanlaan (nu Baan) en Kleine Houtweg. Aan de zuidzijde zijn twee kleinere terreinen aangegeven. In de zuidoosthoek ligt een tweede grotere ovaalvorm, voor een deel recht afgesneden langs de Groote Dreef, waar- van meer dan de helft particulier bezit was. Dat particuliere gedeelte was het thans nog bestaande voormalige achttiendeeeuwse buitenplaatsje 'Dreeflust'. Op ruime kavels projecteert Zocher in totaal acht villa's rondom het centrale perk en één daarbinnen, aan de noord-westzijde. Alle villa's zijn ruim omgeven door lommerrijk groen, maar niet zodanig dat ze geheel aan het zicht zijn onttrokken. Vrije zichtlijnen zijn overal aanwezig, maar dan wel volgens de ideeën van de Engelse landschapsarchitectuur. J.D. Zocher jr. betrok in zijn plan een gedeelte van de tuin Welgelegen, en zelfs een extra toegang ten oosten van het Paviljoen. Dit gedeelte is zo niet uitgevoerd. De gemeenteraad ging akkoord met het plan Zocher en besloot het aangeboden plan en tekening voor de bebouwing van de Koekamp aan te nemen en vast te stellen. Tevens werd bepaald dat een plan en teekening van de te plaatsen villa's aan de goedkeuring van B & W moet worden onderworpen en aan B & W op te dragen betreffende die aanvragen het gevoelen in te winnen van den heer J.D. Zocher, of van diens zoon L.P. Zocher. In dezelfde raadsvergadering werd ook besloten dat de te bebouwen grond om niet, en die voor de tuinen tegen één gulden per vierkante el zou worden afgestaan 28). Daarmee werd tegemoet gekomen aan de wens van Jhr. A.V. Teding van Berkhout, ruim een jaar daarvoor, en werd in Haarlem in 1863 een begin gemaakt met de aanleg van de Koekamp als villapark.

Voor een inzicht in het bebouwingspatroon zijn de villa's chronologisch gerangschikt. Daarbij is de huidige nummering aangehouden.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.